HEIKE RENÉE DE WIT – GASTBLOGGER

for English see below*

Ik zal mijzelf eerst kort introduceren, mijn naam is Heike Renée de Wit; ik heb in 2019 de opleiding graphic design aan ArtEZ Arnhem afgerond; heb een universitaire minor in gender en postkoloniale studies gevolgd; vind en dus ben gender ambigu (ookwel: queer/non-binair/androgyn) en woon momenteel in Arnhem. Mijn praktijk is een samenstelling van grafisch ontwerp en theorie gerelateerd aan gender- en postkoloniale studies. Specifieker werk ik graag aan autonome en collectieve projecten rondom narratief en representatie als norm-verschuivende middelen, het onderzoeken of vormgeven van rituelen, levensbeschouwing en de verbinding tussen natuur en mens. Ik ben op zoek naar manieren van samen zijn die ons dichter bij elkaar, onze leefomgeving en daardoor onszelf brengen en onderzoek hoe grafisch ontwerp mijn eigen en anderen hun missies in deze richtingen kan ondersteunen. Ik ben idealistisch en probeer manieren te vinden om de energie hiervoor vast te houden en zacht te blijven in een vaak ruwe maatschappij.

De dood van een idee leidt tot nieuw leven

Mijn methodes en referenties voor het omgaan met en reflecteren op het onderbewuste tot bewustwording maken.

Wat ik lees en bekijk vormen de grootste inspiratie bronnen voor mijn werk, dit werkt samen als een web aan referenties die zich onderling koppelen en nieuwe verbindingen genereren. De verbindingen vind ik het interessants—hiermee probeer ik vraagstukken aan te gaan zoals: Hoe gaan we om met collectief trauma? Hoe erkennen en helen we van (ons eigen aandeel in de) onderdrukking (van anderen)? Welke constructies houden we onbewust in stand (zoals gender en ‘ras’) en hoe kunnen we die hiërarchieën herleiden en deconstrueren? Hoe kunnen principes over masculine en feminine ‘energie’ ons helpen anders naar gender te kijken? Hoe kan ik als ontwerper en mens bewustwordingsprocessen faciliteren in mijzelf en anderen? Deze laatste vraag wil ik nu met name aangaan, en voorleggen welke tools ik gebruik in momenten van overweldiging tijdens bewustwordingen.

In het jaar na mijn afstuderen is er veel gebeurt, en de vrijheid die ik in mijn afstudeer proces ervaarde is nu een ontwerp kwestie op zichzelf geworden voor de huidige afstudeerders. Grootschaliger hebben we te maken met veel schijnbaar conflictueuze gevoelens door de Covid-19 pandemie waar nieuwe gedragsnormen om een herwaardering van solidariteit vragen en vervolgens weer een nieuwe vorm krijgen in wereldwijde protesten tegen institutioneel racisme en politiegeweld. Momenteel voel ik positiviteit opbloeien voor de creativiteit, uithoudingsvermogens en veerkracht van mensen waar ik vorige week nog overweldigd werd door bezorgdheid. Berouw vloeit hier als een constante tussendoor.
Evenals de pandemie een bewustzijn van onze kwetsbaarheid/sterfelijkheid deed groeien, luidden de protesten (wederom) een golf van bewustwording van ongelijkheden in, en hoe we hier zelf medeplichtig aan zijn als we niet actief handelen naar verbetering. Verbetering bijvoorbeeld in de vormen van praten met onze naasten over discriminatie, het delen van ervaringen, en indien je zelf nooit onderdrukt werd te (blijven) luisteren, te (blijven) lezen, er te (blijven) zijn voor je omgeving en hen ondersteunen zowel sociaal als op politieke vlakken, samen vernieuwing te onderzoeken en deze uitten door naar (een nieuw gevormd) begrip te handelen. Met de voorgaande suggesties wil ik niet pretenderen dat ik hiermee alle vormen van verbetering opper, overigens.

Wat ik wel hoop te kunnen bewerkstelligen met mijn werk is het geven van handvatten aan complexiteiten, en op inzichtelijke wijze bepaalde realiteitsbeelden rondom gender, huidskleur, etniciteit en andere vormen van ongelijkgemaakte variatie uiteen te zetten door middel van concrete voorbeelden van de constructie van die ongelijkheden. Het is één ding om mij te horen zeggen dat ik vind dat mens en natuur aan elkaar gelijk staat, want bla bla bla daar gaat weer zo’n linkse eco millennial, maar hopelijk een ander voor mij om uit te leggen hoe het zo is gekomen dat we er van uitgaan dat we niet op gelijke voet staan. Als logica ons hier bracht door voorwaarts te redeneren, wil ik nog wel eens zien hoe het gaat als we achterwaarts weer terug redeneren.
Onderdelen medeplichtig aan redenaties tot ongelijkheid verwerkte ik in mijn afstudeerproject Paratext Publishing[1], waar ik fictie en academische teksten samenbracht om de negatieve narratieve representatie van gekoloniseerde mensen in Engelse literatuur te contextualiseren, en de onderliggende machtsverhoudingen die hier oorzaak en gevolg van waren bloot te leggen. Zoals het karakter Bertha, meegenomen uit het destijds gekoloniseerde Jamaica, in Charlotte Brontë’s Jane Eyre (1847), die zelfs in feministische analyses tot narratief element wordt gereduceerd in dienst van de hoofdpersonage Jane. Academicus Gayatri Spivak gaat in op deze en andere interpretaties van het Bertha’s personage, en welke zienswijzen deze onthullen in “Three Women’s Texts” [2] Schrijver Jean Rhys gaf Bertha eerder haar eigen verhaal in Wide Sargasso Sea (1966) en illustreert hoe er met hetzelfde gereedschap menselijkheid geschapen kan worden.
In sommige van de bundels schuilt hoop en waardering voor het terugnemen van de taal, het hier mee her-uitvinden van de zelf, zoals in de bundel waar Gloria Anzaldúa onderdrukte vrouwen de kracht van het beschrijven van hun ervaring inboezemt[3], waar Audre Lorde het voorbeeld geeft in Sister Outsider (1984) en Adrienne Rich hen bijspringt in een uiteenzetting van het belang van het erkennen van jouw gegeven (dis)positie[4]. In andere bundels traceren scholars manieren van kijken zoals ze ontstonden in de pen van de schrijver en overvloeiden naar de blik van de lezer, in acht nemende dat boeken uit het Engelse literaire canon ook als civilisatie technieken in haar kolonies werden toegepast.[5]

Mij verdiepen in mechanismen van ongelijkheid is een van mijn manieren om met de bewustwording van anderen hun pijn om te gaan en hiervoor open te blijven staan (en een schouder te kunnen bieden). Ik verwacht niet dat alleen een ongelijkgemaakte groep mij kan vertellen wat ik moet doen, dus ik zoek mede zelf de gronden van mijn vooroordelen uit en leer deze (h)erkennen zodat ik er bewust op kan reflecteren en mijn gedrag en uitspraken gevoelig zijn.
Een andere vorm die ik gebruik om bewustwording de nodige ruimte te geven is door middel van samenwerkingen. Ik werk graag samen in de organisatie van events, zoals film- of documentaire vertoningen en werk momenteel mee aan een platform voor vrouwelijke en gender non-conforming ontwerpers/kunstenaars. De twee waarmee ik samenwerk studeren nog aan ArtEZ en we delen een gevoel van urgentie over de vereniging tussen en tentoonstelling van meer werk van vrouwelijke en GNC studenten en peers. Samenwerken is een gegeven onderdeel van mijn werk, als ontwerper maak ik altijd iets voor, en dus met, anderen. Ik merk dat door mijn eigen interesses uit te dragen in mijn tijd op ArtEZ, mij ook heeft geholpen in aansluiting vinden met mensen waarmee ik goed samen werk en gedeelde missies of idealen mee heb.
Mijn advies voor huidige studenten zou ook zijn om tijdens de studie veel samen te werken en betrokken te zijn. Ontwikkel ruimte voor jezelf en anderen om dingen te organiseren met elkaar—zo vind je je sterke kanten en creëer je (met) je omgeving samen.

In samenwerkingen kom je soms voor confronterende gewaarwordingen te staan, zoals bij de praktijk opdracht die ik samen met Niels Otterman voor Museum Bronbeek uitvoerde. We discusseerden over wat het voor hen inhoudt het museum te dekoloniseren, en namen hun terrein en representatie door middel van de monumenten onder de loep. Hier vonden we een overrepresentatie van de Nederlandse militaire slachtoffers en de gevallene ten tijde van de Japanse bezetting (~5 jaar) van huidig genoemd Indonesië. Hiermee ontwijkt Bronbeek de erkenning van slachtoffers onder de inheemse bevolking en hun verdedigers, die aan de Nederlandse bezetting (~500 jaar) kleven te erkennen en proportioneel te herdenken.
Op het terrein troffen we een bust van gouveneur generaal J. B. van Heutsz aan—degene wiens standbeeld in 1967 in Amsterdam zowaar tot explosie is gebracht[6]. Wij hebben gepoogd dit beeld van de nodige context te voorzien zowel door tekst als een fysieke interventie, zodat het zich met een meer uitgesproken educatieve en herziene symbolische functie op het terrein bevindt[7].

Het bordje leest:
Graven / Gravedigging, Heike de Wit, 2019.
De twee beplantte graven zijn geplaatst ter contextualisering van het monument voor voormalig generaal-majoor en militair Gouveneur van Atjeh, Johannes B. Van Heutsz. (1898-1904)
Hier aan zijn voeten ziet u een gebaar naar de ~98.000 slachtoffers die vielen onder de inheemse bevolking van Atjeh, waaronder ook vele vrouwen, kinderen en weerlozen, ten tijde van van Heutsz zijn dienst voor de Nederlandse staat in voering van de Atjeh-oorlog. (1873-1942)

These two graves/flowerbeds are placed to contextualise the deeds during the service of Johannes B. Van Heutsz as general-major and military govenor of Atjeh. (1898-1904) At van Heutsz’s feet lays a gesture to the ~98.000 deaths of the indiginous population of Atjeh, of which many women, children and otherwise defenseless people during van Heutsz’s service to the Dutch state in execution of the Atjeh war.(1873-1942)

We plaatsten bloemen in de graven in de kleuren van de Atjehse vlag omdat rouw het leven en de dood bijeenbrengt, en in de hoop pijn te verzachten door deze de ruimte te geven te bloeien; zich te hergenereren. Het project bevatte ook een map van het terrein met verschillende loop routes die ieder een ander narratief representeren door de volgorde waarin je de gegeven en ontbrekende herdenkingen, door de monumenten en onze interventies tegenkomt.

In mijn onderzoek probeer ik vaak manieren voor mijzelf te vinden om verwondering en nieuwsgierigheid met zelf-inzicht en verantwoording te verenigen, om zo met beide benen op de grond te blijven terwijl ik me open stel voor verschillende manieren van beschouwing. Er valt nog genoeg te leren en zal ik nooit op een punt belanden waar dat niet zo is. Als samenvatting van het afgelopen jaar kan ik zeggen dat ik me blij, verward, vermoeid, tevreden, onzeker, afgevlakt en dankbaar heb gevoeld—niet in die volgorde, overigens. Ik ben hopelijk onderweg naar een plek waar mijn idealen zich reflecteren in mijn werk en leven en kijk uit naar het aankomende schooljaar waarin ik een master Genderstudies ga volgen. Hier wil ik mij verder verdiepen in de deconstructie van sociale conditionering als aanleiding voor discriminatie en hoe een authentieke herconstructie / eigen herconditionering eruit zou zien. Ik wil onderzoeken hoe herwaardering van mens en natuur als een geheel op een persoonlijk en collectieve manier kan plaatsvinden.
In de toekomst hoop ik les te geven of een adviesrol te spelen in kunsteducatie in relatie tot gender- en postkoloniale studies. Ook ga ik graag door met aan collectieve platformen en ruimtes te werken voor o.a. schriftelijke en beeldende vormen van ontwikkelende gewaarwordingen. Ik wil mezelf op waarde leren schatten, maar me nooit boven anderen stellen. Ik zal altijd blijven leren en me door anderen terecht laten stellen. Tot slot, wil ik mezelf en mijn omgeving met evenveel verwondering kunnen observeren, en conclusies erover blijven uitstellen.

Voor meer informatie of contact kunt u mijn werk zien op http://heikedewit.nl en mij benaderen via heikereneedewit@gmail.com.


[1] Paratext Publishing Graduation research project BA Graphic Design, ArtEZ Arnhem, 2019.
Series of 11 book sets of 2-4 books; Mobile application(ding!) as free online repository of academic theory used in my research; Bookclub and accompanying reader with selected texts (PoD); hand-outs of two related (academic) papers/texts (PoD); Event space; Lecture room; Reading space.

[2] Gayatri Spivak, “Three Women’s Texts,” Critical Inquiry (Autumn, 1985).

[3] Gloria Anzaldúa, “Speaking in Tongues: A Letter to Third World Women Writers,” 1980.

[4] Adrienne Rich, “Notes Towards a Politics of Location,” in Blood, Bread and Poetry: Selected Prose 1979-1985, 1984.

[5] Online te bekijken en lezen op http://paratext.glideapp.io

[6] Buiten Beeld in Beeld https://www.buitenbeeldinbeeld.nl/Amsterdam_Z/Van_Heutsz.htm (bezocht 18 juni, 2020)

[7] Voor meer informatie over van Heutsz en de Atjeh oorlog lees bijvoorbeeld Anton Stolwijk, “Honderd jaar na de Atjeh-oorlog ‘We are sorry,’” in de Groene Amsterdammer nr. 22, 27 mei 2015 https://www.groene.nl/artikel/we-are-sorry (bezocht 18 juni, 2020)



* English

First, I’d like to shortly introduce myself, my name is Heike Renée de Wit, last year I completed the graphic design program at ArtEZ Arnhem and I followed university minor courses in gender and postcolonial studies. I consider gender ambiguous and therefore allow myself to be as such (also: queer/non-binary/androgynous) and currently live in Arnhem. My practice is a mix of graphic design and theory related to gender- and postcolonial studies. More specifically, I’m interested in autonomous and collective projects concerning narrative and representation as norm-shifting tools. I like to research and create rituals, philosophies of life and explore the connection between nature and humanity. I seek ways of collectivity that bring us closer together, to our environment and thereby to ourselves, and I explore how graphic design can support my own and other’s missions of similar intention. I am idealistic and work to find ways to maintain energy and softness within the roughness of society.

The death of an idea leads to new life

My methods and references for relating to and reflecting on the process of transformation of the subconscious to awareness.

What I read and watch form the greatest sources of inspiration to my work, they interconnect as a web of references and generate new links of thinking. These connections are what interest me most, and through I try to grapple questions such as: How do we deal with collective trauma? How do we recognize and heal from (our own part in the) oppression (of others)? What constructs do we unconsciously perpetuate (like gender and ‘race’) and how can we trace back those hierarchies and deconstruct them? How can principles of masculine and feminine ‘energy’ help us reconsider gender? How can I, as a designer and human, facilitate growth of awareness, in myself and in others? It is that last question that I want to engage with most right now, in order to share which tools I use in moments of feeling overwhelmed in processes of developing conciousness.

During the year after my graduation a lot has happened, and the freedom I experienced during my graduation process has now become a design problem for the current graduates. On a widespread scale, we are dealing with seemingly conflicting feelings as a consequence of the Covid-19 pandemic, where new behavioral norms are demanding a revaluation of solidarity and ask for reinterpretation during global protests against systemic racism and police violence. In this current moment I feel a lot of positivity due to the creativity, endurance and resilience of people, where earlier I felt overwhelmed by worries. Mourning flows like a constant through it all.
      Just as the pandemic developed our growing awareness of our collective vulnerability and mortality, the protests are causing yet another wave of reckoning with inequalities, and make clear our complicity if we don’t actively improve ourselves and our societies. Improvement through for example talking to people close to us about discrimination, sharing experiences, and if you have never known oppression, by continuing to listen, read and be there for others in supporting them both interpersonally and politically. Let us explore new ways of being together, and act in accordance with our ever growing understanding. I don’t want to suggest the above list is covers all possible improvements, of course.

What I do hope to be able to achieve with my work, is to aid the understanding of complexities, and to clearly dissect particular ideologies surrounding gender, skin color, ethnicity and other forms of inequalized difference, through concrete examples of how those inequalities are constructed. It’s one thing to hear me say that I think humans and nature are one and the same, because bla bla bla here goes another leftist eco millennial, but it’s hopefully another thing for me to explain how we’ve come to the point where we all assume we’re not on equal footing. If reasoning brought us here by logical progression, I’m curious to see what we encounter if we retrace those steps.
         In my graduation project Paratext Publishing[1], I explored the judgements complicit in the logics responsible for inequality. I brought together fiction and academic literature, to contextualize the negative narrative representation of colonized people in English literature, and to uncover the underlying power relations that were both the cause and the result of that. Consider the character of Bertha, brought from the then-colonized Jamaica, in Charlotte Brontë’s Jane Eyre (1847): Even in feminist readings, she is reduced to a narrative element in the service of protagonist Jane. Academic Gayatri Spivak unpacks these and other readings of Bertha’s character in “Three Women’s Texts”[2] and author Jean Rhys gave Bertha her own story in Wide Sargasso Sea (1966) and illustrates how we can use the same tools to invoke her humanity.  
        Some of the bundles house a hope and appreciation for the reclaimmation of language, and the reinvention of the self through that process. Like a bundle where Gloria Anzaldúa instills in oppressed women the power of describing their experiences[3], where Audre Lorde exemplifies that in Sister Outsider (1984) and where Adrienne Rich joins them in a plea for the importance of recognizing your given (dis)position[4]. In other books, scholars trace ways of seeing, as they emerged from the author’s pen and flowed into the eyes of readers, taking into consideration the fact that books from the English literary canon were applied as civilization techniques in its colonies.[5]  

Learning more about the mechanisms of inequality, is one of my ways to cope with the awareness of the pain of others, and to keep myself available to feel, as well be somebody people can lean on. I don’t expect that only an oppressed minority can tell me what I should do, so I seek out the causes of my own prejudices and learn to recognize them, so that I can reflect on them consciously and so that my behavior and speech will be thoughtful.
         Another way I try to create a space for developing conciousness is through collaborations. I like to collaborate in the organization of events, such as film- or documentary screenings, and am currently involved in a platform for female and gender non-conforming artists/designers. My two collaborators are still studying at ArtEZ and we share a sense of urgency about uniting and exhibiting more work by female and GNC students and peers. Collaborating is a inherit part of my work because as a designer, I’m always making things for, and therefore with, others. I’ve found that expressing my own interests during my time at ArtEZ has also helped me connect to good collaborators with whom I share common missions or ideals.
         My advice for current students would then also be to collaborate a great deal during your studies and to be involved. Develop space for yourself and others to organize things together—that’s how you can discover your strengths and co-create (with) your environment.

In collaborations you can be faced with confronting realizations, as I did in the project I delivered with Niels Otterman for Museum Bronbeek. We discussed what it meant to them to decolonize the museum, and took a closer look at the representation on their grounds through their monuments. We found an overrepresentation of the Dutch military victims and the fallen soldiers at the time of the Japanese occupation (±5 years) of what is now Indonesia. In this way, Bronsbeek evades recognizing the many indigininous en their defendants victims during the Dutch occupation (±500 years) in a proportional way.
         On the grounds, we found a bust of governor-general J.B. van Heutsz—the very one who’s statue was actually bombed in Amsterdam in 1967.[6] We tried to add some context to this sculpture, both through text and through a physical intervention, so that the bust will have a more educational and renewed symbolical purpose on the grounds.[7]

The sign reads:
Graven / Gravedigging, Heike de Wit, 2019.
These two graves/flowerbeds are placed to contextualise the deeds during the service of Johannes B. van Heutz (1898-1904) as general-major and military governer of Atjeh. At van Heutz’s feet lays a gesture to the ±98.000 deaths of the indigenous population of Atjeh, of which many women, children and otherwise defenseless people during van Heutz’s service to the Dutch state in execution of the Atjeh war. (1873-1942)

We planted flowers in the graves, in the colors of Atjeh’s flag, because mourning unites life and death, and in hopes of healing pain by giving it space to bloom, to regenerate. The project also inclued a map of the grounds with various walking routes that represented different narratives of history through the order of encounter with the remembrances provided, and left out, by the monuments and our interventions.

In my research, I often try to find ways for myself to combine wonder and curiosity with self-reflection and responsibility; to keep both feet on the ground as I open myself to different considerations. There is still plenty to learn, and I will never reach the point where that is no longer true. Over the last year, I’ve felt happy, confused, fatigued, content, insecure, empty and grateful – not necessarily in that order. Hopefully, I’m on the road to a place where my ideals are reflected in my work and life, and I look forward to the coming academic year, as I’ll be taking a MA in Gender Studies. There, I want to further explore and deconstruct social conditioning as a cause of discrimination and consider how an authentic reconstruction or personal reconditioning would be. I want to research how a revaluation of humanity and nature as a whole can take place on both personal and collective planes.
         In the future, I hope to teach or play an advisory role in art education with relationship to gender and postcolonial studies. I’d also like to continue collaborating in collective platforms and spaces to create (among other things) written and visual forms of developing conciousness. I want to learn to value myself appropriately, but never put myself above others. I will always keep learning, allowing others to correct me. Finally, I want to practice the ability to observe myself and my environment with an equal amount of wonder, and to keep suspending final conclusions.

For more (contact) information, you can see my work at http://heikedewit.nl or approach me personally through heikereneedewit@gmail.com.


[1] Paratext Publishing Graduation research project BA Graphic Design, ArtEZ Arnhem, 2019.
Series of 11 book sets of 2-4 books; Mobile application(ding!) as free online repository of academic theory used in my research; Bookclub and accompanying reader with selected texts (PoD); hand-outs of two related (academic) papers/texts (PoD); Event space; Lecture room; Reading space.

[2] Gayatri Spivak, “Three Women’s Texts,” Critical Inquiry (Autumn, 1985).

[3] Gloria Anzaldúa, “Speaking in Tongues: A Letter to Third World Women Writers,” 1980.

[4] Adrienne Rich, “Notes Towards a Politics of Location,” in Blood, Bread and Poetry: Selected Prose 1979-1985, 1984.

[5] Online te bekijken en lezen op http://paratext.glideapp.io

[6] Buiten Beeld in Beeld https://www.buitenbeeldinbeeld.nl/Amsterdam_Z/Van_Heutsz.htm (bezocht 18 juni, 2020)

[7] Voor meer informatie over van Heutsz en de Atjeh oorlog lees bijvoorbeeld Anton Stolwijk, “Honderd jaar na de Atjeh-oorlog ‘We are sorry,’” in de Groene Amsterdammer nr. 22, 27 mei 2015 https://www.groene.nl/artikel/we-are-sorry (bezocht 18 juni, 2020)

Translation by: Witold van Ratingen/ De Wit

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *